Een betoog is een tekst waarin je de lezer probeert te overtuigen van jouw standpunt. Je neemt dus stelling in een discussie en verdedigt dat standpunt met argumenten. In een goed betoog zijn je redeneringen logisch opgebouwd, is het taalgebruik precies en overtuigend, en sluit de opbouw aan op de inhoud.
Voor je een betoog kunt schijven, moet je eerst een schrijfplan maken. Hier lees je hoe je dat aan moet pakken.
Opbouw van een betoog
Een betoog kent over het algemeen een vaste structuur:
- Inleiding
- Introduceer het onderwerp.
- Formuleer een duidelijke stelling (jouw standpunt).
- Trek de aandacht met een voorbeeld, actualiteit of prikkelende vraag. Je kunt dat op twee manieren doen; zakelijk door iets over het onderwerp te vertellen en te eindigen met je stelling, of verhalend door een situatie rondom je onderwerp te beschrijven en te eindigen met de stelling. Je ziet: je eindigt altijd met de stelling. Zorg dat je goed nadenkt welke manier het best past bij jouw onderwerp en jouw betoog.
- Kern (middenstuk)
- Geef ten minste drie goede argumenten voor jouw stelling. Dat kunnen argumenten vóór je stelling zijn, maar je bent overtuigender wanneer je in de laatste alinea van de kern een tegenargument (een argument dat de tegenstander van de stelling zou kunnen gebruiken) weerlegt.
- Werk elk argument uit in een aparte alinea met een duidelijke kernzin. Dit is de eerste zin van de alinea.
- Onderbouw je argumenten met voorbeelden, feiten of deskundige bronnen. Maak je argumenten SExI.
- Maak gebruik van signaalwoorden om je argumenten en dus je alinea’s met elkaar te verbinden.
- Slot
- Vat je belangrijkste argument(en) kort samen.
- Herhaal of versterk je stelling.
- Eindig eventueel met een oproep, toekomstvisie of retorische vraag.
- Zorg dat je het slot begint met een concluderend signaalwoord.
- Probeer, als dat mogelijk is, aan te sluiten bij de inhoud van je inleiding.
Argumentatieschema’s
Je argumentatie moet logisch en overtuigend zijn. Hieronder staan veelgebruikte argumentatieschema’s die je kunt gebruiken:
| Schema | Voorbeeld | Toelichting |
|---|---|---|
| Oorzaak-gevolg | “Als leerlingen niet leren omgaan met AI, zullen ze minder goed voorbereid zijn op de arbeidsmarkt.” | Je legt een verband tussen oorzaak en gevolg. |
| Voor-en-nadelen | “AI biedt efficiëntie, maar het risico op misbruik maakt begeleiding noodzakelijk.” | Je weegt de voor- en nadelen tegen elkaar af. |
| Vergelijking | “Net als bij verkeersles op school, zou AI-les verplicht moeten zijn.” | Je vergelijkt je standpunt met een bekende situatie. |
| Deskundig autoriteitsargument | “Volgens UNESCO is mediawijsheid essentieel voor democratisch burgerschap.” | Je ondersteunt je argument met een bron van gezag. |
| Gevolgtrekking | “AI is niet meer weg te denken, dus moeten we jongeren erop voorbereiden.” | Je trekt een logische conclusie uit voorafgaande informatie. |
Voor vwo-leerlingen wordt verwacht dat je meerdere schema’s afwisselt, en dat je ook onderscheid maakt tussen soorten argumenten (feitelijk vs. waarderend).
Taalgebruik
Een betoog vereist overtuigende, verzorgde taal. Let op:
- Gebruik signaalwoorden om structuur aan te brengen:
- Opsomming: ten eerste, bovendien, ook
- Tegenstelling: maar, echter, daarentegen
- Conclusie: dus, daarom, kortom
- Vermijd spreektaal: zeg liever “Daarom moet de overheid ingrijpen” dan “Dus de overheid moet er iets aan doen.”
- Formuleer kernachtig en zakelijk:
- Havo: begrijpelijk en duidelijk.
- Vwo: genuanceerd, afgewogen, soms met stijlmiddelen (bijv. een retorische vraag).