Signaalwoorden en alineaverbanden

Waarom zijn signaalwoorden belangrijk?

Een goede tekst is logisch opgebouwd. Dat betekent dat de zinnen en alinea’s met elkaar in verband staan. Signaalwoorden geven die verbanden aan. Ze zijn als het ware de ‘wegwijzers’ van de tekst. Als je ze herkent, begrijp je de tekst beter en weet je waar je moet zoeken bij vragen over verbanden, functies of structuur.


Belangrijkste tekstverbanden en bijbehorende signaalwoorden

Hieronder vind je de belangrijkste verbanden die je moet kennen, met uitleg en concrete voorbeelden. Zowel havo- als vwo-leerlingen moeten deze kunnen herkennen, maar vwo-leerlingen moeten ook complexe of subtiele verbanden kunnen benoemen en analyseren.


1. Opsommend verband

Signaalwoorden: en, ook, bovendien, verder, daarnaast, ten eerste, ten slotte

Voorbeeldzin (havo):
“Energiedrank bevat cafeïne en suiker. Bovendien zit er vaak ook taurine in.”

Voorbeeldzin (vwo):
“Naast de directe gezondheidseffecten speelt ook het maatschappelijke aspect een rol: energiedrankjes dragen bij aan een ongezond imago van jongeren.”


2. Tegenstellend verband

Signaalwoorden: maar, echter, toch, daarentegen, hoewel, aan de ene kant … aan de andere kant

Voorbeeldzin (havo):
“Energiedrankjes zijn populair onder jongeren, maar artsen maken zich zorgen.”

Voorbeeldzin (vwo):
“Hoewel jongeren beweren dat energiedrank hen helpt bij het studeren, blijkt uit onderzoek dat het hun concentratie juist verlaagt.”


3. Oorzakelijk of redengevend verband

Signaalwoorden: omdat, want, doordat, aangezien, daarom, dus

Let op:

  • Een reden geef je bewust: “omdat ik moe ben, drink ik koffie.”
  • Een oorzaak ligt buiten jezelf: “doordat het regende, werd ik nat.”

Voorbeeldzin (havo):
“Veel jongeren drinken energiedrank omdat ze denken dat ze zich dan beter kunnen concentreren.”

Voorbeeldzin (vwo):
“Doordat cafeïne het slaappatroon verstoort, ontstaan op de lange termijn concentratieproblemen.”


4. Uitleggend of toelichtend verband

Signaalwoorden: bijvoorbeeld, dat wil zeggen, met andere woorden, zoals, ter illustratie

Voorbeeldzin (havo):
“Energiedrankjes bevatten stimulerende stoffen, zoals cafeïne en guarana.”

Voorbeeldzin (vwo):
“De overheid zou meer moeten reguleren, met andere woorden: actief moeten ingrijpen in de verkoop aan minderjarigen.”


5. Concluderend verband

Signaalwoorden: dus, kortom, concluderend, daarom, al met al

Voorbeeldzin (havo):
“Energiedrankjes zijn ongezond. Daarom zouden scholen ze moeten verbieden.”

Voorbeeldzin (vwo):
“De schrijver heeft meerdere medische bronnen geciteerd waaruit blijkt dat overmatig gebruik schadelijk is. Concluderend is een leeftijdsgrens noodzakelijk.”


6. Doel-middelverband

Signaalwoorden: om te, opdat, zodat, daarvoor, met het doel, door middel van

Voorbeeldzin (havo):
“Veel jongeren drinken energiedrank om langer wakker te blijven.”

Voorbeeldzin (vwo):
“De campagne werd gelanceerd met het doel jongeren bewust te maken van de risico’s.”


7. Vergelijkend verband

Signaalwoorden: zoals, hetzelfde, eveneens, net als, in vergelijking met, evenals

Voorbeeldzin (havo):
“Energiedrankjes werken net als koffie stimulerend.”

Voorbeeldzin (vwo):
“De opkomst van energiedrank onder jongeren is vergelijkbaar met het gebruik van sigaretten onder jongeren in de jaren ’90.”


8. Samenvattend verband

Signaalwoorden: kortom, samenvattend, al met al

Voorbeeldzin (havo):
“Energiedrankjes zijn populair, maar ook riskant. Kortom: gebruik met mate.”

Voorbeeldzin (vwo):
“De tekst bespreekt de oorzaken, gevolgen en mogelijke maatregelen. Samenvattend pleit de schrijver voor strengere wetgeving.”


Signaalwoorden in examens

Wat je moet kunnen:

  • Signaalwoorden herkennen en het bijbehorende verband benoemen.
  • Verbanden tussen zinnen of alinea’s aangeven.
  • Begrijpen waarom een schrijver een bepaald woord of verband gebruikt.
  • In het vwo-examen: ook kritisch nadenken over stijl en precisie in het gebruik van signaalwoorden.