In een betoog of discussie probeert iemand je ergens van te overtuigen. Dat gebeurt met argumenten: uitspraken die een standpunt ondersteunen. Op het examen moet je argumenten kunnen herkennen, benoemen, beoordelen én zelf toepassen in schrijf- of spreekopdrachten.
We behandelen de belangrijkste soorten argumenten die je moet kennen op havo en vwo. Hierbij krijg je per soort een duidelijke uitleg en concreet voorbeeld.
1. Feitelijk argument
Uitleg: Een argument dat controleerbaar is; het is waar of niet waar.
Voorbeeld:
“Energiedrankjes bevatten gemiddeld 80 mg cafeïne per blikje.”
→ Dit kun je op het etiket controleren.
Let op (examen):
Zorg dat het echt controleerbaar is. “Veel jongeren drinken het” is géén feit als je geen aantallen of bron noemt.
2. Waarderend argument
Uitleg: Een mening of oordeel over iets. Het is subjectief.
Voorbeeld:
“Energiedrankjes zijn slecht voor je gezondheid.”
→ Dat is een oordeel; niet iedereen is het daarmee eens.
In het examen:
Waarderende argumenten moet je goed onderbouwen met feiten, voorbeelden of logica.
3. Gezag of autoriteit
Uitleg: Je verwijst naar een deskundige of een betrouwbare bron.
Voorbeeld:
“Volgens het RIVM leidt overmatig gebruik van cafeïne tot hartritmestoornissen.”
Let op:
De bron moet wel deskundig zijn op het gebied waarover het gaat. Een influencer is geen expert in gezondheidszorg.
4. Ervaringsargument
Uitleg: Je gebruikt een persoonlijke of collectieve ervaring als bewijs.
Voorbeeld:
“Ik voel me altijd trillerig na een blikje energiedrank, dus het heeft echt effect.”
Bij vwo:
Deze argumenten tellen minder zwaar, tenzij ze breed herkenbaar of ondersteund zijn.
5. Vergelijkingsargument
Uitleg: Je vergelijkt twee situaties om iets aannemelijk te maken.
Voorbeeld:
“In veel scholen is frisdrank verboden; energiedrank moet dan ook niet toegestaan zijn.”
6. Nut- of (on)gewenst gevolg
Uitleg: Je laat zien welk (positief of negatief) effect iets heeft.
Voorbeeld:
“Als we energiedrank op school verbieden, slapen jongeren waarschijnlijk beter.”
Vaak gebruikt in beleidsdiscussies of betogen over maatschappelijke thema’s.
7. Emotioneel argument
Uitleg: Je speelt in op gevoel, zoals angst, medelijden of rechtvaardigheidsgevoel.
Voorbeeld:
“Moet een kind van twaalf echt met hartkloppingen op de SEH belanden door een blikje drank?”
Let op:
Deze zijn niet altijd rationeel sterk, maar kunnen wel overtuigen.
8. Moreel argument
Uitleg: Je baseert je op normen en waarden (ethiek).
Voorbeeld:
“Het is onze verantwoordelijkheid als volwassenen om jongeren tegen zichzelf te beschermen.”
Verwerking in het examen
Wat moet je kunnen?
- Argumenten herkennen in een tekst (let op signaalwoorden als ‘want’, ‘omdat’, ‘dat blijkt uit’).
- Benoemen welk type argument het is.
- Beoordelen of een argument sterk is (feitelijk sterker dan persoonlijk).
- Zelf diverse soorten argumenten inzetten bij schrijfopdrachten en spreekvaardigheid.