Waarom is het herkennen van vraagtypes belangrijk?
Tijdens het centraal examen Nederlands krijg je verschillende soorten vragen over de tekst. Door te herkennen welk type vraag je voor je hebt, weet je beter wat er van je verwacht wordt en hoe je moet lezen of terugzoeken in de tekst. Elk type vraag vraagt om een eigen aanpak.
Overzicht van veelvoorkomende vraagtypes (havo/vwo)
1. Hoofdgedachtevraag
Wat wordt gevraagd?
Wat is de belangrijkste boodschap of conclusie van de hele tekst?
Aanpak:
- Lees oriënterend en globaal.
- Let goed op inleiding en slot.
- Vat de tekst in één zin samen zonder details.
- Kies niet voor te brede of te specifieke antwoorden.
Voorbeeldvraag:
Wat is de hoofdgedachte van de tekst?
Voorbeeldantwoord (havo):
“Het gebruik van energiedrank onder jongeren moet worden beperkt vanwege gezondheidsrisico’s.”
Voorbeeldantwoord (vwo):
“Hoewel energiedrankjes populair zijn onder jongeren, wegen de gezondheidsrisico’s zwaarder en is overheidsingrijpen noodzakelijk.”
2. Deelonderwerpvraag
Wat wordt gevraagd?
Wat is het onderwerp van een bepaald tekstgedeelte (vaak enkele alinea’s)?
Aanpak:
- Lees intensief de genoemde alinea’s.
- Kijk naar kernzinnen (meestal eerste en laatste zin).
- Vraag jezelf af: wat is het ‘kleine onderwerp’ hier?
Voorbeeldvraag:
Wat is het deelonderwerp van alinea 4 tot en met 6?
Voorbeeldantwoord (havo):
De risico’s van te veel cafeïne bij jongeren.
Voorbeeldantwoord (vwo):
De lichamelijke en psychische effecten van overmatige cafeïne-inname bij jongeren.
3. Functievraag (tekstgedeelte)
Wat wordt gevraagd?
Welke functie heeft een alinea of zin in de tekst? (bijv. voorbeeld, conclusie, argument, inleiding, standpunt)
Aanpak:
- Kijk goed naar het verband met de voorgaande en volgende alinea’s.
- Vraag jezelf af: voegt dit iets toe, leidt het iets in, onderbouwt het iets?
Voorbeeldvraag:
Wat is de functie van alinea 5?
Voorbeeldantwoord (havo):
Deze alinea geeft een voorbeeld bij het argument dat energiedrank schadelijk is.
Voorbeeldantwoord (vwo):
De alinea illustreert met een concreet praktijkvoorbeeld hoe jongeren op jonge leeftijd gezondheidsklachten kunnen krijgen door overmatig gebruik van energiedrank.
4. Argumentatievraag
Wat wordt gevraagd?
Wat is het standpunt, welke argumenten worden gebruikt, of welk type argumentatie is aanwezig?
Aanpak:
- Zoek het standpunt op.
- Noteer de argumenten die erbij horen.
- Herken het type argumentatie: oorzaak-gevolg, vergelijking, autoriteit, enzovoort.
Voorbeeldvraag:
Welke argumenten gebruikt de schrijver om het verbod op energiedrank te onderbouwen?
Voorbeeldantwoord (havo):
- Gezondheidsschade bij jongeren
- Slaaptekort door cafeïne
- Toename van concentratieproblemen
Voorbeeldantwoord (vwo):
De auteur onderbouwt zijn standpunt met argumenten op basis van wetenschappelijk onderzoek (autoriteit), een oorzaak-gevolgredenering (meer energiedrank = meer gezondheidsklachten) en een maatschappelijke vergelijking (zoals roken ook werd verboden op school).
5. Verband-/signaalwoordvraag
Wat wordt gevraagd?
Welke verbanden worden gelegd tussen zinnen of alinea’s? Of: waarom wordt een bepaald signaalwoord gebruikt?
Aanpak:
- Let op signaalwoorden: dus, maar, bijvoorbeeld, omdat, enz.
- Herken het verband: oorzaak-gevolg, tegenstelling, opsomming, toelichting, enz.
Voorbeeldvraag:
Wat is het verband tussen alinea 3 en 4?
Voorbeeldantwoord (havo):
Alinea 4 geeft een voorbeeld bij het argument dat in alinea 3 genoemd wordt.
Voorbeeldantwoord (vwo):
Alinea 4 fungeert als illustratie bij de oorzaak-gevolgrelatie die in alinea 3 wordt uitgewerkt, en versterkt daarmee de overtuigingskracht van het betoog.
6. Stijl-, toon- en bedoelingvragen
Wat wordt gevraagd?
Wat is de toon van de tekst of een fragment? Wat probeert de schrijver te bereiken?
Aanpak:
- Let op woordkeus en stijlfiguren.
- Kijk naar ironie, sarcasme, ernst of juist relativering.
- Kijk naar het doel van de tekst.
Voorbeeldvraag:
Hoe is de toon in alinea 2 te typeren?
Voorbeeldantwoord (havo):
Serieus en waarschuwend.
Voorbeeldantwoord (vwo):
Waarschuwend met een licht ironische ondertoon richting de gemakzucht van ouders.
Wat je moet kunnen op het examen
- Het type vraag herkennen.
- De juiste strategie toepassen: oriënterend, globaal, intensief of kritisch lezen.
- Antwoorden geven in eigen woorden, tenzij letterlijk gevraagd wordt naar een citaat.
- Goed onderbouwen met tekstverwijzingen.